|
Een
onderschatte ziekte Onze
vitaliteit wordt bepaald door een aantal hoofdzaken. Zo krijgen hart
en vaatziekte volop aandacht. Een van de verwaarloosde
ziekten is botontkalking, ofwel osteoporose. Toch is het een heel
bepalende aandoening. Vaak is bijvoorbeeld
een gebroken heup het begin van een dalende vitaliteit. We
worden in het algemeen alleen door schade en schande wijs. We moeten een heup, pols,
wervel breken om te beseffen dat onze botten van levensbelang zijn.
Maar hier is preventie van levensbelang. Als er eenmaal osteoporose, ofwel botontkalking bestaat is de weg
terug eigenlijk nauwelijks mogelijk.
Het gemene
van osteoporose is dat je het niet voelt. Het geeft op zichzelf geen
klachten, geen pijn, tot er een fractuur optreedt.
Bovendien is er een verband tussen osteoporose en hart en
vaatziekten (ref.5). Preventie is dus noodzaak.
Wat is osteoporose? Zoals
alle weefsel in ons lichaam is bot levend weefsel. Er wordt
voortdurend bot afgebroken en nieuw bot gevormd. Door dit proces
wordt per jaar 20 % van het bot vernieuwd. Na verloop van tijd hebt
u hierdoor nieuw bot. Als botafbraak gaat overheersen boven
botaanmaak ontstaat osteoporose. Osteoporose
wordt gekenmerkt door een lage botmineraaldichtheid. Hierdoor is het bot brozer en is er een hogere
kans op een botbreuk. Preciezer geformuleerd, volgens de
definitie van de WHO:
er is sprake van
osteoporose als de botmineraaldichtheid meer dan 2,5
SD onder het gemiddelde van jonge vrouwen ligt. Een lichtere vorm van
osteoporose noemt met
osteopenie; de botmineraaldichtheid is verminderd, maar er is nog
geen sprake van osteoporose. De botmineraaldichtheid ligt tussen 1
en 2,5 SD
( standaard deviatie )
onder de gemiddelde waarde van jonge vrouwen.
Er zijn in Nederland
430.000 mensen met osteoporose ( er zijn ' slechts' 100.000 bij
huisartsen geregistreerd, dus veelal wordt diagnose niet gesteld !)
en er zijn in Nederland 1.600.000 mensen met osteopenie .
Oorzaken van osteoporose Opmerkelijk is
dat er een omgekeerd evenredig verband bestaat tussen welvaart en
osteoporose. Hoe welvarender het land, hoe meer osteoporose. Het is
minstens voor een deel dus een welvaartsziekte. Zie onderstaande tabel.
Prevalentie van matige en ernstige werveldeformatie
onder 50-79 jarigen in een aantal Europese regio’s;
gestandaardiseerd naar de oude Europese bevolking (O'Neill
et al., 1996).
|
Scandinavië |
242 |
258 |
|
Rotterdam |
231 |
219 |
|
Middellandse Zee-gebied |
216 |
226 |
|
West-Europa |
206 |
192 |
|
Oost-Europa |
180 |
184 |
In het algemeen wordt aanvaard dat de kans op osteoporose wordt vergroot door:
- erfelijkheid - laag gewicht - (vroege) overgang bij vrouwen - lichamelijke inactiviteit - voedingstekorten, bv ook o.i.v.
darmziekten zoals coeliakie - gebrek aan
zonlicht, waardoor gebrek aan vitamine D - roken - hoge alcoholconsumptie - geneesmiddelengebruik, met name corticosteroïden
De oorzaken spreken voor zich. Waar mogelijk kan men zelf de
beschermende maatregelen nemen. Sommige risicofactoren kan men niet
beïnvloeden. De voedingstekorten gaan met name over mineralen (
calcium ) en vitamine D. Velen van ons zitten de hele dag
binnen ( met name ouderen, maar ook anderen ). Bij hen kan een
tekort aan vitamine D ontstaan, dat immers in ons lichaam gevormd
wordt onder invloed van zonlicht. Vitamine D is van belang voor
botvorming en voor calciumopname in de darm. Een tekort aan kalk,
dat nogal eens aangevoerd wordt als mede oorzaak, is van weinig
belang. Het blijkt dat osteoporose vooral optreedt in
welvarende landen (dus met hoge zuivelconsumptie). Een tekort aan
calcium is niet iets wat verantwoordelijk gesteld kan worden voor de
huidige epidemie van botontkalking. Veeleer zal het te maken moeten
hebben met factoren die onderdeel zijn van de welvarende
levensstijl, zoals lichamelijke inactiviteit, gebrek aan zonlicht,
hoge alcoholconsumptie en westerse voedings-gewoontes. Onder invloed
hiervan hapert blijkbaar de botopbouw en ontstaat waarschijnlijk
een verhoogde calciumuitscheiding. Het blijkt
dat kalksuppletie of kalkrijke voeding ( maar niet alleen kalkrijke
voeding (!), zie verder ) tot de leeftijd van 20 jaar
leidt tot een hogere botdichtheid(1), maar daarna niet meer. Dat
lijkt wel belangrijk omdat men het met de piekbotmassa die men rond
zijn 30e bereikt ( grotendeels op het 20e levensjaar al bereikt is)
zijn leven moet doen. Vanaf ongeveer 30 jaar gaat de botmassa
geleidelijk weer afnemen. Toch moet men het belang van de
kalkvoorziening ook weer niet overdrijven. Als de calciuminname te
hoog wordt ontstaat minder goed gestructureerd bot dat weliswaar een
hoge dichtheid heeft, maar toch makkelijker breekt.
Hoeveel calcium hebben we per dag nodig? De behoefte
aan calcium is ongeveer 1200 mg per dag, maar is sterk variabel.
Door cafeïne, alcohol, zout, eiwitrijke voeding en
verzuring ( zie verder ) neemt de calciumuitscheiding
toe. Als de voeding minder calcium bevat gaat het lichaam zuiniger
met de calcium om en wordt de calcium beter opgenomen in de darm.
Vitamine D en dus zonlicht is hierbij essentieel.
Calcium opname is dus ook variabel.
Normaal wordt slechts ongeveer
10 % van de calcium uit onze voeding opgenomen uit de darm.
Door de
aanwezigheid van fytaten ( in graanproducten ), oxaalzuur ( rabarber, zuring, raap, spinazie,
postelein, rode biet, cacao ) gaat de calcium opname achteruit omdat
deze stoffen met calcium onoplosbare complexen vormen die niet via
de darmen opgenomen kunnen worden.
Er
is meer dan zuivel Een
onderzoek analyseert retrospectief het mogelijke verband tussen
voeding en botdichtheid ( 3 ) :
De eetgewoonten van de proefpersonen werden verdeeld in zes
verschillende voedingspatronen. Dit gebeurde op basis van de
voedingsmiddelen die de proefpersonen de meeste calorieën leverden,
wat resulteerde in voedingspatronen met relatief grote aandelen (1)
vlees, zuivel en brood, (2) vlees en zoete bakkerswaren, (3) zoete
bakkerswaren, (4) alcohol, (5) snoep, (6) fruit, groenten en
graanproducten. Mannen die veel groenten, fruit en graanproducten
aten, hadden een significant hogere botdichtheid dan de mannen in de
groepen twee tot en met vijf. Bij vrouwen vond men in mindere mate hetzelfde.
Opvallend is dus dat de zuivel-brood groep
het slechter deed dan de fruit-groente-graan groep. ( relativeert de
zuivelreclames !)
Dr. Frances Tylavsky van
de University of Tennessee in Memphis onderzocht 56 meisjes tussen
de acht en dertien jaar. ( ref 14 ). Gedurende één tot twee jaar
moesten de meisjes en hun ouders bijhouden wat ze aten. Met behulp van röntgenfoto’s werd het oppervlak
en de mineralendichtheid van alle botten gemeten en in het bijzonder
die van het spaakbeen, in de onderarm. Tevens werden er urine en
bloedmonsters genomen. In het bloed werd het parathyroïdhormoon en
de 25-OH-vitamine D-spiegel gemeten. In de urine werd de hoeveelheid
calcium, natrium en creatinine gemeten. Na correctie voor leeftijd, body mass index (BMI) en lichamelijke
activiteit bleken de kinderen die meer dan drie porties groente en
fruit per dag aten, 6% meer botoppervlak te hebben. In het spaakbeen
was dit zelfs 8,3% meer. Ze bleken tevens minder calcium uit te
scheiden via de urine en minder parathyroïdhormoon in het bloed te
hebben dan de kinderen die minder dan drie porties groente en fruit
namen. Er werd geen verschil gemeten in eiwit en calciuminname tussen de
meisjes die iedere dag drie porties aten en de meisjes die minder
aten. Ook de lichamelijke activiteit bleek in beide groepen gelijk
en was dus ook niet de oorzaak van het grotere botoppervlak in de
hogere consumptie groep.
Groentes zouden fytonutriënten bevatten die de botdichtheid
bevorderen zo blijkt uit onderzoek ( ref 4 ). Uienextract
bijvoorbeeld vertoont afremming van de osteoclastenresorptie en van
botverlies bij oudere ratten. Uien hebben een hoog gehalte aan de
bioflavonoïde rutine. Inderdaad bleek een hoge dosis rutine
osteopenie bij ratten te kunnen voorkomen Voorkomen is altijd het best. D.w.z.
vooral voorkomen dat het ontstaat. Als
osteoporose eenmaal bestaat kan met dezelfde preventiemaatregelen de
botmassa optimaal houden,
Voorkomen kan als men de oorzaken kent ( zie boven ) Aan de
algemeen erkende oorzaken ( zie boven ) zou ik echter de volgende willen toevoegen: 1. verzuring van het lichaam 2. gebruik van suikers en snelle
koolhydraten 3. overmatige calciuminname 4. tekorten aan
essentiële vetzuren (5) 5. hoge eiwitconsumptie
Verzuring van het
lichaam Door verzuring van het lichaam onttrekt het
lichaam calciumzouten aan het bot
door lage urinaire PH stijgt de calciumexcretie en de PTH
(parathormoon)-productie
wordt opgevoerd
om de calciumspiegel te verhogen door verhoogde resorptie in de
darm en reabsorptie in de nier te versterken ( ref. 1 )
Het resultaat is ook dat de fosfaatuitscheiding verhoogd wordt en
dus een verhoogde H+ uitscheiding kan ontstaan. Bij een lage urine PH reageert het lichaam dus met fosfaat
uitscheiding en ca++ reabsorbtie onder invloed van verhoogd
parathormoon.
Het resultaat is echter ook dat calcium
vrijgemaakt wordt uit de botten en de botten dus ontkalken. PTH (
parathormoon ) verhoogt calciumionen in het bloed nl. op 3
manieren: 1. vrijmaken uit bot, 2. hogere opname uit de darm, 3.
hogere terugresorbtie in de nier.
Ongeveer 1 % van
het hydroxyapatiet in het bot is in de vorm van snel mobiliseerbaar
calcium zout CaHPO4. Dus zodra er verzuring optreedt van het lichaam
volgt een compensatie door het oplossen van CaHPO4 uit het bot
in Ca++ en HPO4 - -. Er ontstaat dan extra buffercapaciteit door de
HPO4- -.. De Ca ++ gaat echter ook in oplossing en het bot ontkalkt.
Dat een acidose ( verzuring) leidt tot verhoging
PTH blijkt overigens uit dierexperimenteel onderzoek ( 7,8 ).
Suiker en snelle koolhydraten
Suiker en snelle
koolhydraten leiden tot hormonale veranderingen. Deze leiden tot een
katabole (=afbraak) toestand van het lichaam. Bovendien zet het uw lichaam in
de suikerverbrandings-modus, i.p.v vetverbrandings-modus. Dit leidt
tot overgewicht en omzetting van eiwitten in suikers (
gluconeogenese ) of vetzuren (ketogenese) t.b.v. de
verbranding. Ook eiwitstructuren van het bot worden hieraan
opgeofferd. Algeheel komt het lichaam in een toestand van
verbranding van nuttig lichaamsweefsel, waaronder het bot. Dit
is hoger ingeval van overgewicht en diabetes mellitus type 2 (8).
Bij een insulineresistentie ( minder gevoelig worden voor insuline)
is de de gluconeogenese ( eiwitafbraak) dus hoger. Insuline resistentie
veroorzaakt diabetes mellitus type 2 , overgewicht en
eiwitafbraak, dus katabolie. ( zie nieuwsbrief
8 (klik hier) en
9 (klik
hier). Opvallend is overigens ook dat het vetzuur gehalte in het
bloed ook hoger is bij insuline resistentie hetgeen wijst op een
verhoogde aanmaak van vetzuren uit eiwitten en/of een blokkade van
vetverbranding. Het lichaam heeft geen keus,. Bij
insulineresistentie ontstaat geforceerd geblokkeerde
vetverbranding en omzetting van eiwit in suiker of vetzuren.
Dit gebeurt in iedere lichaamscel, dus ook in het bot.
Daardoor ontstaat botverlies. In plaats van suiker en vet gaat het lichaam over op verbranding van
suiker en eiwit. ( " ...mobilizes proteins from essential all cells
of de body, making them vailable in the form of aminoacids in de
body fluid" ref. 9 ). Dit is in feite een proces waartoe het lichaam
pas over ( hoort te gaan ) gaat bij ondervoeding, langdurig vasten.
Onder invloed echter van een insulineresistentie ontstaat een
vergelijkbare toestand. Normaal zorgt insuline voor opslag van
reserve glucose in de vorm van glycogeen en remt het de omzetting
van eiwit in glucose en vetzuren. en zorgt zelfs voor eiwitopbouw in
het lichaam. Maar in de situatie van insuline-resistentie ( vooral
en eerst wordt de lever resistent ! ) lukt dit dus niet meer.
Insuline remt de lever onvoldoende in de gluconeogenese, de opbouw
van eiwitten neemt af. vorming van brandstof uit eiwitten neemt toe.
Men gaat zijn lichaam verbranden. (9. pg 627, 629).
Overmatige calcium inname Behalve voldoende botdichtheid is het van belang dat het lichaam de botten goed modelleert en ' zuinig'
omspringt met zijn mineralen. Door een verzuurd interstitium (weefsel) gaan
veel mineralen verloren. Dus de gedachte : neem maar extra kalk is
heel eenzijdig
Meer is niet altijd beter en
vaak zelfs slechter. Hoewel uit onderzoek blijkt dat extra calciuminname
botverlies bij vrouwen na de overgang kan afremmen ( 10 ), blijkt
ook dat bij overdreven calciuminname de botdichtheid weliswaar verder toeneemt,
maar dat dit ten koste gaat van de modellering van het bot.
In
landen met gemiddeld hoge botdichtheid, is de incidentie van
fracturen het hoogst ( ref 11 ). Overmatige calcium inname leidt dus
niet tot osteoporose maar wel tot breekbaardere botten. Tekorten aan
(essentiële) vetzuren Uit dierexperimenteel onderzoek
blijkt dat visolie remmend kan werken op botontkalking (12).
Mogelijk spelen ontstekingsfactoren een rol in de botontkalking.
Deze ontstekingsfactoren worden geremd door de visolie.
Verder blijkt dat visolie de insulinegevoeligheid kan verhogen en
alleen daardoor al een anabool ( opbouwend ) effect kan hebben. Gezonde
mensen ( zonder overgewicht, diabetes, hart en vaatziekten, reuma,
auto-immuunziekten ) kunnen i.p.v. visolie m.i.
preventief een goede balans-olie gebruiken.
Hoge eiwitconsumptie
Eiwitten
( vooral de zwavelhoudende en fosforhoudende dierlijke eiwitten,
maar ook de vegetarische eiwitten) verzuren het lichaam. Eiwitrijke
voeding wordt zuur gemetaboliseerd. De fosfor, zwavel en nitraat uit
de aminozuren van de eiwitten vormen in het lichaam zwavelzuur,
fosforzuur en salpeterzuur, sterke zuren dus. Zuren die
vrijwel volledig ioniseren. Dat betekent een grote hoeveelheid H+
ionen en dus verzuring. Verzuring leidt tot osteoporose ( zie boven
). Te veel eiwitten in de voeding kunnen dus tot osteoporose leiden
Overige voedingsfactoren Vitamine K2
speelt een belangrijke rol bij de botvorming. Het werkt als zgn.
co-factor bij de aanmaak zgn. osteocalcine. Het zou vooral betrokken zijn bij aanmaak van een gezonde botmatrix,
dus een gezonde
botstructuur. Uit onderzoek blijkt dat vitamine K suppletie de kans
op fracturen verkleint, maar niet duidelijk de botdichtheid doet
toenemen. Vitamine K zit in groene groenten. Uit onderzoeken is
gebleken dat behalve Vitamine
C , vitamine
D en K de
botopbouw
stimuleren. Magnesium speelt
indirect een rol. Het wordt nauwelijks ingebouwd in bot, maar zorgt
toch voor een hogere botdichtheid, zo blijkt uit onderzoek(13) Kiezelzuur is
ook van belang, maar weer vooral bij de vorming van de matrix, dus
de botstructuur.
Er zijn aanwijzingen dat
ipriflavon, glucosamine HCL en chondroitinesulfaat botvorming
bevorderen
Conclusie:
-Osteoporose is een serieuze aandoening die goede preventie en goede
behandeling vereist -Onderbelichte oorzaken zijn: verzuring, hoge
suiker en koolhydraatgebruik, hoge eiwitconsumptie, tekort aan
vitamine D, vitamine K, magnesium, kiezelzuur - Er zijn t.a.v. de
oorzaken individuele verschillen vooral voor wat betreft 1. de oorzaak
verzuring en 2.de oorzaak overbelaste suikerstofwisseling. Goede
preventie begint daarom met een deskundig natuurgeneeskundig
consult.
Aanbeveling: 1. Bezit u een aantal van de volgende
risicofactoren: magerheid, vroege overgang, ongezond
voedingspatroon, weinig lichaamsbeweging, veel roken en of drinken,
botontkalking in de familie, diabetes mellitus type 2, het hebben
van een darmziekte, langdurig gebruik van prednison of andere
corticosteroïden: neem dan een supplement met calcium, magnesium,
vitamine D, vitamine K, zorg voor beweging, beperk de suikers
en eet vooral ruim fruit en groente. 2. Bespreek
en analyseer zo nodig dit ingewikkelde probleem met een
natuurgeneeskundig arts of therapeut. Maak het onderdeel van
een totaal preventie plan. Beoordeel samen met uw
behandelaar wat uw 'zwakke plek'
is; zuur base evenwicht, suikerstofwisseling of voedingstekorten.
Als u uw zwakke plek kent zal uw algehele gezondheid profiteren en
dus ook uw botdichtheid.
Henk de Valk, arts
1.Lloyd T. et al, JAMA, 1993, 270(7), p. 841-4 2. Johnston C.C.
N. Engl Journal of Medicine 1992, 327(2):p82-87 3.
Tucker
KL, Chen H, Hannan MT, Cupples LA, Wilson PW, Felson D, Kiel DP.
Bone mineral density and dietary patterns in older adults: the
Framingham Osteoporosis Study. Am J Clin Nutr 2002; 76(1):245-252
4.
Muhlbauer
RC, Lozano A, Reinli A. Onion and a mixture of vegetables, salads,
and herbs affect bone resorption in the rat by a mechanism
independent of their base excess. J Bone Miner Res 2002;
17(7):1230-6 5.Prog
Lipid Res. 1997 Sep;36(2-3):131-51. 6.
Bone Miner Res. 2002 Sep;17(9):1691-700.
7. Am
J Physiol Endocrinol Metab. 2004 May;286(5):E780-5. Epub 2004 Jan 13 8.
Diabetes.
2005 Jul;54(7):1942-8. 9.
Guyton and Hall, Human Physiology and Mechanisms of Disease, ISBN
0-7216-3299-8 10. Devine A et al, Osteoporos Int 1997;7:23-8
11. J.C. van Montfort, Orthomoleculaire Koerier 113, augustus 2005
12. D sun et. al, Bone miner Res. 2003; 18(7): 1206-16
13.
J Am
Geriatr Soc. 2005 Nov;53(11):1875-80.
(Terug) naar
overzicht |